Waarom doe je dit?

“Maar waar denk je dan al die tijd aan?” vroeg collega buitendienst R.

Hij had via-via gehoord dat ik veel wandelde en dat die wandelingen steeds vaker een hele middag besloegen. Roddelen en navragen had niet veel opgeleverd en hij wilde het nu wel eens uit de mond van de persoon zelf horen.

“Tja” zei ik “Waar denk jij de hele tijd aan als je met iets langdurigs bezig bent? Jij doet wel eens een uitgebreide schilderklus of je maait een flink gazon of je bent een dagje aan het tuinieren. Wat gaat er dan in jouw hoofd om?”

Hij keek me een beetje schuin aan. Zo had-ie het vast nog niet bekeken. Daarna kwam  met een grijns zijn antwoord: “Ik denk aan sex!”

“Ik ook wel eens” gaf ik toe, “Dat is een interessant en onuitputtelijk onderwerp hoewel het met de jaren moeilijker wordt om een hele wandeling daarmee te vullen. In feite overdenk ik de voorgaande dagen en uren en mopper luidop over zaken die me dwars zitten. Gaandeweg wordt je dan rustiger en ziet het landschap aan je voorbijtrekken.”

Hij keek me een beetje schattend aan “Jaja, en daarmee kun je de tijd vullen terwijl je die achterlijke einden loopt?”

Het was duidelijk dat hij het misschien half geloofde maar hij kon zich er niet veel bij voorstellen. “Ik ga maar weer eens wat doen” sprak hij ten afscheid en verdween naar zijn eigen werkplek.

Ik zag hem verdwijnen en overdacht de vraag nog eens. Waar dacht ik al die tijd aan?

Punt is dat ik helemaal niet begin met het idee dat ik een aantal uren ga lopen. Als het mooi weer is en een vrije dag voor me ligt wordt ik in de loop van de ochtend vanzelf onrustig. Als het ontbijt op is en de krant doorgespit begin ik m’n ritueel.

Rugzakje inpakken met eten en drinken voor onderweg. Duinkaarten zoeken, route overdenken. Schoenen schoonmaken, gaat makkelijk als je de zooi van de vorige wandeling eraf laat drogen. Met een borstel of schuier heb je ze dan zo weer schoon. Daarna is je vloer vies, maar dat speelt in  een  vrijgezellenhuishouden niet zo’n rol.

Lang geleden is het besef doorgedrongen dat zooi er ook nog ligt als je na een tijdje terug komt. Onmiddelijk opruimen heeft dus nauwelijks prioriteit. Sterker nog als de troep hoog genoeg ligt kun je een heleboel in een keer opknappen en werk je nog efficient ook.

Daar was overigens wel een burn-out voor nodig. Tot die happening was ik een beetje nerveus-pathologisch zindelijk. Terugkijkend uiterst vermoeiend trekje  wat ik vermoedelijk heb meegekregen van een erg aangeharkte jaren-vijftig opvoeding waarin niet zoveel ruimte was voor de wat meer rafelige kantjes van het bestaan.

Daarna op het gemakje de voeten intalken en sokken netjes om de onderdanen heendraperen. Dan kunnen de schoenen aan maak ik een proefloopje binnen terwijl ik tevens kijk of alle apparaten en lichten uit zijn en kranen dicht.

Daarna kan ik de trap af en de deur uit. Al wandelend door de wijk komen in eerste instantie de spieren een beetje sputterend in beweging. Het loopt niet erg lekker maar  dat ben ik inmiddels gewend. Net als een apparaat moet ook het bewegingssysteem van een mens even opwarmen. Gaat vanzelf, rustig beginnen.

Een paar straten verderop zie ik dat de gordijnen bij m’n broer nog dicht zijn. Zijn avondje uit de avond ervoor heeft kennelijke langer geduurd dan hij inschatte of hij is na afloop nog even Het Web opgegaan en dan vliegt de tijd.  Zijn slaap-waakpatroon wijkt nogal af van het gemiddelde en na een half leven krampachtig daartegen vechten heeft hij ontdekt dat je beter je leven om je natuurlijke aanleg kunt bouwen dan omgekeerd.  Zoals ik ooit in een chinees spreukenboek las: “Je staat ervan te kijken hoeveel mensen hun leven doorbrengen met het draaien van een rond deksel op een vierkant potje.”

Langzaamaan bereik ik de rand van de wijk. Daar is een volgende generatie kinderen bezig om het krijten op de stoep en het uitzetten van sporen te ontdekken. Fascinerend hoe bepaalde dingen in een mensenleven “vanzelf” in een bepaalde volgorde gaan. De rituelen veranderen niet met de jaren. Waar de eigen generatie met stukken gipsplaat schreef heeft de speelgoedindustrie voorzien in elke denkbare behoefte voor de generatie van nu. De koters liepen rond met enorme  potloodvormige staven krijt in vele pastelkleuren. Meer variatie is altijd beter moet de achterliggende gedachte daarachter zijn. Je moet als fabrikant toch omzet draaien en met een gestaag afnemende markt door dalend kindertal per gezin moet je per consument[je] dan meer verkopen. Gelukkig zijn de ouders materieel veel rijker dan vroeger en erg duur is het spul ook niet. Het compenseert in stoffelijke  zin de mindere tijd die de ouders hebben om zich met hun kroost te bemoeien.

Dat ze minder tijd hebben omdat ze altijd werken om de poen bij elkaar te schrapen voor die behoeftebevrediging is een van de paradoxen van deze tijd.

Aan de rand van de polder zie ik dat het bord waarop al vele jaren een stuk grond in ‘vele ruime kavels’ wordt aangeboden is omgewaaid. De resten liggen over een flinke strook braakliggen weiland verspreid. Ooit begonnen als een briljant plan van een grondspeculant om met weinig moeite veel geld te maken is nu wel duidelijk dat door een veranderend bestemmingsplan deze grond nooit meer populair zal worden. Totdat een grote bouwcombinatie met genoeg financiele reserve’s en [achter] ingangen bij machthebbers er het volgend vinex-ghetto neerplempt.

Even verderop kom ik W. ‘de post’ tegen.  Zijn bijnaam dankt hij aan zijn beroep bij werkzaam leven. Inmiddels blij toe dat-ie in de VUT zit.  Zijn werk gaf hem altijd voldoening en afwisseling maar de laatste jaren kreeg hij het steeds moeilijker met een organisatie die hem  vooral als ‘kostenplaats’ zag in plaats van als mens.

“Jij zou best post kunnen worden” is zijn vaste begroeting “met de stukken die jij dagelijks aflegt”

“Ik wil graag werken voor een leuke organisatie” is mijn -eveneens- vaste repliek. Kan ie beamen. Tegenover zijn huis heeft hij een stukje land waarop wat schapen en geiten rondscharrelen. Als die de baas ontwaren met een emmer komen ze aandraven. W. zwaait dan zijn benen over het damhek en loopt met de emmer naar achter op het landje om de beesten een extraatje te bezorgen.

Heeft hij een reden voor. “Ik wil niet dat de beesten het terrein vlak bij het hek met voeren associeren want dan gaan ze bedelen bij voorbijgangers” is zijn motto. Goede en praktische gedachte.

De ruimte van de polder ligt nu voor me. Met mijn gedachten inmiddels helemaal rustig gaat het lopen op routine.

De gedachten die dan zich in de rustige cadans van de stappen laten ordenen vormden tot nu toe de bron voor uitgebreide mails aan vrienden en kennissen. Totdat collega E. op het idee kwam om die tekstuele oprispingen in de vorm van een ‘blogtekst’ op Het Web te zetten.

“Kunnen meer mensen het lezen. En misschien komt er volk op af. Als het een beetje loopt kan ik er dan commercieel bij adverteren. Ik wil wel een hoekje voor je regelen en een algemeen kader opzetten. Kun jij dan met teksten vullen.”

Leek me na enige aarzeling een goed plan.

Na deze aanloop is het voornemen om met enige regelmaat de gedachtenspinsel aan dit medium toe te vertrouwen. Vorm en lengte moeten nog een beetje op z’n plek vallen. Aan de teller hieronder lijkt me iets van duizend woorden per stukje wel een aardige en makkelijk te onthouden lengte.

Wordt vervolgd.

Wandelaar

Posted in Uncategorized | Leave a comment